Kinderen leren beter rekenen als rekenmethodes beter afgestemd zouden zijn op hun belevingswereld. Bijvoorbeeld door doe-activiteiten in de rekenles te integreren.
Een kind leert in de eerste levensjaren tellen en rekenbegrippen gebruiken. Ze leren dit door te ‘doen’ en het dagelijks leven vormt hiervoor de basis. Bijvoorbeeld: Simone (3 jaar) heeft 6 gekleurde plastic eierlepeltjes. Ze dekt de tafel voor papa, mama, haar broertje en zichzelf. Ze legt bij elk bord een lepeltje en gooit de 2 overgebleven lepeltjes in de afvalbak. ‘Die hebben we niet nodig,' is haar commentaar.
Op school ontwikkelt een kind zijn rekenvaardigheden volgens het boekje. In de huidige rekenmethodes wordt het dagelijks leven wel als context gebruikt, maar het blijven toch plaatjes en opdrachten in een boek. Het is een abstrahering van de werkelijkheid.
Als de opdrachten in het rekenboek echter gekoppeld zijn aan het ‘doen’ van de leerling, ervaart het kind het rekenen als zijn eigen werkelijke wereld.
Met wat creatief denken is het mogelijk om binnen de methodes zelf doe-activiteiten te creëren. Daardoor wordt het onderwijs effectiever, functioneler en afwisselender.
Neem een pak suiker mee om te laten voelen hoe zwaar een kilo is en laat de kinderen dan maar eens filosoferen over het aantal korrels in het pak. En hoe lang is een kilometer? Dat ontdek je alleen maar door zelf een kilometer te lopen of te fietsen.
Doordat kinderen rekenen zelf ervaren in allerlei situaties, worden getallen en rekenbegrippen functioneel. Bovendien ontdekken kinderen hierdoor de betekenis van rekenen in het dagelijks leven.
Kortom, rekenen moet je doen!
Mieke van Groenestijn is orthopedagoog en onderwijskundige. Zij is gespecialiseerd in de ontwikkeling van kinderen op het gebied van rekenen-wiskunde. Van Groenestijn is medewerker van de Hogeschool Utrecht, Faculteit Educatie.
