Tellen met sprongen (groep 3-4)
Doel: De leerlingen oefenen het tellen met sprongen van 10, 5, 2 en 1.
Tijdsduur: 30 minuten.
Plaats: In de klas, op het speelplein of in de speel- of gymzaal.
Materiaal:
- Stoepkrijt.
- Kaartjes met optel- en aftreksommen tot 50. Op één kant staat de som en op de andere kant staat de uitkomst. Maak sommen om sprongen van 10, 5, 2 en 1 te maken.

Als extraatje bij deze les kunt u eventueel
de rekenliedjes Tien-tien-rap en/of
De circusprinses afspelen.
Voorbereiding
Teken een getallenlijn met streepjes op de plaats van de tientallen, vijftallen en eenheden. Schrijf de getallen 0, 10, 20, 30, 40 en 50 op de juiste plaats.
Introductie
Kijk samen met de kinderen naar de getallenlijn. Wat is er te zien? Waar lijkt het op? Welke getallen staan er al? Wat betekenen de streepjes tussen de getallen?
Uitwerking
De kinderen staan in een rij voor de getallenlijn of in een kring eromheen.
Geef steeds een opdracht aan een van de kinderen:
- Ga maar eens op 10 staan.
- Ga maar eens op 20 staan.
Leg uit dat de kinderen cijferkikkers zijn en vertel wat ze gaan doen: 'Jullie zijn cijferkikkers en jullie houden van springen op een getallenlijn. Jullie beginnen bij 0 en maken steeds sprongen van 10. Na iedere sprong kwaken jullie en noemen jullie het getal waar jullie naartoe gesprongen zijn. Dat zijn grote sprongen!'
De ene helft van de klas maakt de sprongen terwijl de andere helft kijkt hoe zij dit doen. Daarna zijn de andere leerlingen aan de beurt om sprongen te maken.
Vervolgens laat u een paar kinderen op respectievelijk 10, 20, 30, 40 en 50 staan.
'Waar liggen 15, 25, 35 en 45 op de getallenlijn?' Laat één kind op 15 gaan staan. Doe hetzelfde met 25, 35 en 45.
'Jullie kunnen ook iets kleinere sprongetjes maken. Bijvoorbeeld sprongetjes van 5. Jullie springen nu steeds 5 verder.'
Laat alle kinderen dit een keer doen. Natuurlijk kwaken de kinderen bij het springen en ze noemen het getal waar ze naartoe gesprongen zijn.
'De cijferkikkers kunnen nóg kleinere sprongen maken. Wat is het kleinste sprongetje dat zij kunnen maken?' (1) Laat alle kinderen sprongetjes van 1 maken en laat hen er weer bij kwaken.
Doe hetzelfde met sprongetjes van 2.
Nu laat u de cijferkikkers sommen springen, bijvoorbeeld 10 + 5.
Neem een van de kaartjes met sommen en laat alleen de voorkant zien. Een van de kinderen gaat op de getallenlijn staan, in dit voorbeeld op 10.
'Hoe kun je een som op een getallenlijn springen?' Het kind op de getallenlijn springt 5 verder. 'Waar komt deze cijferkikker nu terecht?' Op 15.
'Dat is een knappe kikker!' Laat de achterkant van het kaartje zien. Behandel op deze manier nog meer plus- en minsommen.
Laat de kinderen ten slotte in tweetallen sommen verzinnen die op deze getallenlijn gesprongen kunnen worden. De kinderen voeren de sommen ook uit.
Dit is een les van leerkracht Margo. Bekijk ook andere lessen van haar:
-
Getallen (groep 1-2)
-
Splitsingen van 10 (groep 3)
-
Boodschappen doen (groep 3-4)
-
Analoge en digitale tijd (groep 4-5)
-
Op schoolreis! (groep 5-8)
-
Inhoudsmaten (I) (groep 6-7)
-
Inhoudsmaten (II) (groep 6-7)
-
Oppervlakte berekenen (groep 7)
-
Tabellen lezen (groep 7)
