Analoge en digitale tijd (groep 4-5)
In plaats van het 'droog' oefenen op papier of op de computer is het voor de kinderen leuk om tijdens de rekenles te mogen bewegen. Tijdens deze les oefenen de kinderen de analoge en digitale tijd terwijl ze zelf mogen bewegen. Bovendien zijn de kinderen interactief bezig, omdat ze met elkaar moeten overleggen.
Doelgroep: Groep 4-5.
Doelen:
- De kinderen kunnen de analoge en de digitale tijd benoemen.
- De kinderen weten welk moment van het etmaal een digitale tijd aangeeft.
Tijdsduur: 20 minuten.
Plaats: In de klas, in de speel- of gymzaal of op het speelplein.
Materiaal:
- Per kind een kaartje met daarop een digitale tijd, analoge tijd of een tekst met een tijdstip. Klik hier voor enkele voorbeeldbladen met kaartjes. Deze bladen staan in een Word-bestand en zijn dus eenvoudig aan te passen.
- Radio of cd-speler.
Beginsituatie
De kinderen hebben vóór deze les instructie gekregen over het aflezen van de klok met zowel analoge als digitale aanduiding.
Voorbereiding
Maak kaartjes met daarop een analoge tijd, kaartjes met daarop een bijbehorende digitale tijd en kaartjes met een tekst waarop de bijbehorende tijd in woorden is opgeschreven. Zie 'Materiaal'.
Deel kaartjes met 2 of 3 bij elkaar horende tijden uit. Alle kinderen in de groep krijgen
1 kaartje.
De samenstelling van de kaartjes is afhankelijk van het aantal kinderen in de groep. Heeft u bijvoorbeeld 24 kinderen, dan kunt u 8 x 3 bij elkaar horende kaartjes uitdelen. Heeft u 27 kinderen in de groep, dan kunt u ervoor kiezen om bijvoorbeeld
7 x 3 en 3 x 2 bij elkaar horende kaartjes uit te delen.
Opdracht
De kinderen mogen hun kaartje nog niet aan de andere kinderen laten zien. Pas als u de muziek start, gaan de kinderen door de klas lopen. Ieder kind gaat op zoek naar een ander kind dat een kaartje met dezelfde tijd heeft.
Zo ontstaan er groepjes van 2 of 3 kinderen. De groepjes stellen zich zo op in de klas dat alle anderen hen kunnen zien en dat ook duidelijk is dat ze bij elkaar horen.
Als alle groepjes gevormd zijn, stopt u de muziek.
Ieder groepje laat op uw teken de kaartjes zien. Controleer samen met de kinderen of het groepje inderdaad bij elkaar hoort. Laat de kinderen verwoorden waarom hun tijden bij elkaar horen. Vraag of met de digitale tijd ’s ochtends, ’s middags, ’s avonds of
’s nachts bedoeld wordt en hoe je dat kunt zien.
Als alle tijden gecontroleerd zijn, kunt u nog een ronde spelen. De kinderen leveren de kaartjes in en u deelt ze opnieuw uit.
U kunt ervoor kiezen om dezelfde kaartjes nog eens te gebruiken of om andere uit te delen. Uw keuze hangt af van het resultaat: vonden de kinderen de eerste ronde moeilijk en zijn er veel fouten gemaakt, dan is het goed om dezelfde kaartjes nog eens uit te delen, zodat er nog eens met dezelfde tijden geoefend kan worden.
Tips
- Gebruik behalve kaartjes met tijden ook kaartjes waarop activiteiten staan afgebeeld die bij een bepaalde tijd van de dag horen. Bijvoorbeeld slapen, opstaan, naar school fietsen/lopen, in de klas zitten, lunchen, buiten spelen, tanden poetsen, televisiekijken, naar bed gaan, enzovoort.
- Kies in plaats van dagelijkse handelingen een thema, bijvoorbeeld de favoriete televisieprogramma’s van de kinderen. Neem de digitale tijden met de bijbehorende programma’s over uit een televisiegids of krant. Maak ook kaartjes met de tijd in geschreven tekst en de tijd op een analoge klok.
Dit is een les van leerkracht Margo. Bekijk ook haar andere lessen:
- Getallen (groep 1-2)
- Splitsingen van 10 (groep 3)
- Boodschappen doen (groep 3-4)
- Tellen met sprongen (groep 3-4)
- Op schoolreis! (groep 5-8)
-
Inhoudsmaten (I) (groep 6-7)
-
Inhoudsmaten (II) (groep 6-7)
- Oppervlakte berekenen (groep 7)
- Tabellen lezen (groep 7)
