Oppervlakte berekenen (groep 7)
Doelgroep: Groep 7.
Doel: De kinderen oefenen het berekenen van oppervlakte.
Tijdsduur: 30 minuten.
Plaats: In de klas, in de school of op het speelplein.
Materiaal per groepje:
-
Meetmateriaal, zoals een lange rolmaat die bij wegwerkzaamheden of in de bouw gebruikt wordt, kleine rolmaten, bordlinialen of meetlinten.
-
Schrijfmateriaal en ruitjespapier (1cm2)
-
Rekenmachine.
-
Een kopie van de plattegrond van de school.
-
Reclamefolders van bouwmarkten.
Beginsituatie
De kinderen kunnen een plattegrond lezen.
De kinderen zijn bekend met de formule lengte x breedte.
Voorbereiding
Bekijk de plattegrond van de school en bepaal vooraf welke ruimtes geschikt zijn voor deze les.
Ga na of de ruimtes op het moment dat deze rekenles gegeven wordt, toegankelijk zijn voor de leerlingen.
Leg de materialen klaar.
Uitwerking
De kinderen worden in groepen van maximaal 4 kinderen verdeeld. Iedere groep krijgt
1 ruimte toegewezen.
Op de kopie van de plattegrond van de school zoeken de kinderen eerst de ruimte die zij straks moeten opmeten. Vervolgens tekenen ze deze na op het ruitjespapier.
De kinderen kunnen de ruitjes straks eventueel gebruiken om te controleren of hun berekening van de werkelijk gemeten oppervlakte klopt. Ieder vierkantje op het papier is dan 1 vierkante meter.
De kinderen krijgen het werkblad Oppervlakte berekenen en beginnen met het bepalen van de oppervlakte van hun ruimte. Ze mogen daarvoor naar de betreffende ruimte gaan. Wanneer ze daar klaar zijn, komen ze terug naar de klas en werken ze de rest van de opdrachten op het werkblad uit.
Evaluatie
De kinderen presenteren hun bevindingen voor de klas. Ze vertellen hoe ze de oppervlakte van hun ruimte bepaald hebben. Hebben de kinderen de formule kunnen gebruiken? Waarom wel of niet? Hebben de kinderen het misschien op een andere manier gedaan? Hoe hebben ze dat dan gedaan? Waarmee gaan ze hun vloer bedekken? Hoeveel hebben ze nodig? Hoe hebben ze dat berekend?
Misschien is er een groep die juist de informatie van de plattegrond heeft gebruikt om de oppervlakte te bepalen. Hoe hebben ze dat gedaan? (Dit kan door de lijntjes op de plattegrond op te meten en deze te vermenigvuldigen. Hiervoor maken ze gebruik van de schaalverdeling die aangegeven is op de plattegrond van de school.)
Bespreek na afloop van de presentaties de verschillende oppervlaktes. Welke vloer is het grootst? Welke is het kleinst? Hoeveel is het verschil? Waarom is de ene ruimte groter dan de andere? (Dit heeft onder andere te maken met het gebruik van de ruimte.)
Differentiatie
Een groep zwakke rekenaars krijgt een eenvoudig op te meten ruimte toegewezen, bijvoorbeeld een vierkante of rechthoekige ruimte die niet al te groot is.
Een groep sterke rekenaars krijgt een moeilijk op te meten ruimte toegewezen,
bijvoorbeeld een wat grotere ruimte met een uitbouw of een hoek. De sterke rekenaars kunnen ook extra opdrachten krijgen, zoals het opmeten van de ramen, de deuren, de muren etc.
De vragen 5 tot en met 7 op het werkblad bieden ook mogelijkheden om te differentiëren.
Dit is een les van leerkracht Margo. Bekijk ook haar andere lessen:
- Getallen (groep 1-2)
- Splitsingen van 10 (groep 3)
- Boodschappen doen (groep 3-4)
- Tellen met sprongen (groep 3-4)
- Analoge en digitale tijd (groep 4-5)
- Op schoolreis! (groep 5-8)
-
Inhoudsmaten (I) (groep 6-7)
-
Inhoudsmaten (II) (groep 6-7)
- Tabellen lezen (groep 7)
