Procenten (groep 7-8)
Doelen:
- De leerlingen verdiepen en verrijken het begrip van procenten.
- De leerlingen kunnen procenten breder toepassen.
Materialen:
- Kranten, tijdschriften, reclamefolders.
- Grote vellen papier, scharen, lijm.
- Voor elke leerling een blad met percentagestroken. Download hier (Pdf, 22kB)
Voorbereiding
Laat leerlingen uit kranten, tijdschriften en folders artikelen en advertenties verzamelen waarin procenten een rol spelen. Ze knippen deze uit en plakken ze op een groot vel papier. Geef elke leerling een blad met percentagestroken (zie 'Materialen').
Introductie
Teken onderstaande percentagestrook op het bord. De leerlingen tekenen de strook na op hun eigen blad met percentagestroken.
Vertel dat u een nieuw programma voor de computer heeft gekocht. Deel A van het programma wordt geladen. Het laden is bijna klaar, kijk maar:

Hoe kun je zien dat de computer bezig is om het programma te laden?
Vraag vervolgens:
- Als het laden klaar is, hoeveel procent wordt dan aangegeven?
- Hoeveel procent van het programma is nu geladen? (90%)
Lesactiviteiten
1. Nu wordt deel B geladen.
- 25 procent is klaar. Kleur 25% in op de volgende percentagestrook.
- Even later is 50% geladen. Kleur 50% in op de volgende percentagestrook.
- Dan is 75% van het programma geladen. Kleur 75% in op de volgende percentagestrook.
Bespreek en vergelijk de resultaten met de leerlingen.
2. Laat leerlingen nu zelf 'een programma laden'. Op een percentagestrook geven ze aan hoeveel van het programma geladen is. Hun buurman of buurvrouw schat of berekent wat het percentage is.
Bespreek weer enkele resultaten.
3. Percentages kun je uitdrukken met een breuk. 50% is de helft. Welke breuk is dat?
En welke breuk staat voor 25% en 75%?
Behandel vervolgens de relatie tussen een percentage een breuk:
50% = 1/2, 25% = 1/4, 75% = 3/4, 10% = 1/10, 20% = 2/10, 30% = etc.
4. Teken de percentagestrook hiernaast op het bord. De leerlingen draaien hun blad met percentagestroken een kwartslag en tekenen de strook na.
Vertel dat u een watertank heeft waarin wel 500 liter water kan. U heeft een peilglas aan de watertank gehangen zodat u kunt zien hoeveel water er in de tank zit.
- Voor hoeveel procent is de watertank gevuld? (50)
- Hoeveel liter water zit er dus in de tank? (250)
- De watertank wordt aangevuld tot 90 procent. Hoeveel liter water zit er in de tank? (450)
- Hierna tapt u 300 liter water af. Voor hoeveel procent is de watertank nu nog gevuld?(150 liter is 30%)
5. Nu mogen de leerlingen zelf de watertank vullen. Ze berekenen voor zichzelf voor hoeveel procent de tank gevuld is en hoeveel water er dus in zit. Vervolgens geven zij 'hun peilglas' aan hun buurman of buurvrouw en deze berekent het percentage plus de hoeveelheid water.
Bespreek weer enkele resultaten.
6. Bespreek ten slotte de knipsels van de leerlingen. Gebruik hierbij zoveel mogelijk de percentagestroken.
100% succes gewenst!
