Getallen II (groep 2-3)
Doel: De leerlingen ontwikkelen een gevoel voor nominale, ordinale en kardinale getallen.
Voorbereiding
- Nominale getallen verwijzen naar een 'naam', bijvoorbeeld huisnummers, rugnummers, bus- en tramlijnen (lijn 6).
- Ordinale getallen drukken een rangorde, bijvoorbeeld: jij bent als tweede aan de beurt.
- Kardinale duiden een hoeveelheid aan, bijvoorbeeld: er zitten 23 kinderen in de groep.
U gaat straks 7 verhaaltjes (tafereeltjes) voorlezen. Tafereeltje 1 en 2 zijn algemeen van aard. Tafereeltje 3 t/m 7 hebben met nominale, ordinale en kardinale getallen te maken.
Maak eenvoudige tekeningen op het bord die verwijzen naar de (reken)tafereeltjes hieronder:
- huisnummerbordje met het getal 26
- voorkant van een bus van lijn 3
- startnummer 14
- straatnaambordje
- rij wachtende kinderen.
Introductie
Vertel dat u een paar verhaaltjes gaat voorlezen. De leerlingen moeten goed luisteren, want in elk verhaaltje klopt iets niet. Als je goed oplet, weet je wat er niet klopt.
Tafereel 1
De vader van Wilbert wil een hamer uit de kelder halen. Hij loopt de trap op en komt in de kelder ...
- Wat klopt er niet ?
- Hoe zorg je dat het verhaal wel klopt?
Tafereel 2
De oma van Mieke wil de krant gaan lezen. Zij wil aan de ronde tafel gaan zitten. Au! Oma stoot zich tegen de hoek van de tafel ...
- Wat klopt er niet ?
- Hoe zorg je dat het verhaal wel klopt?
Zeg vervolgens dat u rekenverhaaltjes gaat voorlezen. 'Goed opletten en probeer te vertellen wat er niet klopt.'
Lesactiviteiten
Tafereel 3
Peter vertelt aan zijn moeder dat er een nieuwe leerling in zijn groep zit. Bart heet hij. Volgens Peter wonen er wel 26 mensen in het huis van Bart.
Moeder antwoordt: '26 mensen, dat is wel erg veel! Vergis je je niet?'
'Nee, hoor,' antwoordt Peter, 'ik heb het zelf gezien. Bart woont op nummer 26.'
- Wonen er echt 26 mensen in het huis van Bart?
Tafereel 4
Voor het eerst mag John zelf met de bus mee. Hij gaat naar zijn opa en lijn 3 stopt vlak bij opa's huis. John gaat naar de bushalte. Daar komt de eerste bus, maar John stapt niet in. Daar komt de tweede bus, maar weer blijft John lekker staan. Eindelijk komt daar de derde bus aan en John stapt in.
- Is John in de goede bus gestapt?
Tafereel 5
Maxime doet mee met een hardloopwedstrijd. Voor de wedstrijd krijgt ze een startnummer. Ze krijgt nummer 14. Moeder en haar zusje Eva staan langs de kant te kijken. De wedstrijd begint. Eva ziet Maxime voorbij komen en zegt tegen haar moeder:
'Dat is niet eerlijk: Maxime kan nooit winnen, want ze is nummer 14!'
- Heeft Eva gelijk dat Maxime de wedstrijd niet kan winnen?
Tafereel 6
De moeder van Fedor heeft het goed uitgelegd. Fedor wil naar de bakker en zijn moeder heeft hem verteld dat hij rechtdoor moet lopen en dan de tweede straat rechts moet ingaan.Fedor gaat op weg. Bij elke straat kijkt hij op het straatnaambordje. Hij zoekt naar de naam 'tweede straat', maar hij kan die straat maar niet vinden ...
- Wat doet Fedor verkeerd?
Tafereel 7
Levi mag voor het eerst naar de basisschool. In de speelzaal moet hij met de andere kinderen in een rij gaan staan; het kleinste kind voorop en het grootste kind achteraan. De juffrouw zegt tegen de leerling die vooraan in de rij staat: 'Jij bent 1.' Tegen de leerling die daarnaast staat, zegt ze: 'Jij bent 2.' Als ze bij Levi is, zegt ze: 'Jij bent 5.'
Als Levi thuiskomt, zegt hij tegen zijn moeder: 'Onze juffrouw heeft een fout gemaakt. Ze zei dat ik 5 was, maar ik ben pas 4 jaar.'
- Heeft de juffrouw een fout gemaakt?
