Associaties
Ik geef les in groep 4. Het valt mij op dat mijn leerlingen moeilijk associëren. Ze hebben niet door dat bijvoorbeeld 2 + 5 het uitgangspunt is voor 42 + 5. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld 7 – 3 als uitgangspunt voor 67 – 3. Hoe kan ik dat inzicht verbeteren?
Karin Vaessen, De Lier
Sommen die met elkaar overeenkomen, worden in rekenmethoden vaak als volgt weergegeven:
| 3 + 5 = | 4 + 3 = | 2 + 6 = | 6 + 3 = |
| 23 + 5 = | 54 + 3 = | 82 + 6 = | 46 + 3 = |
Veel leerlingen maken dergelijke opdrachten wel, maar ze zien niet altijd de bedoelde associatie.
Ik pleit ervoor dat de leerlingen zelf associatief leren denken. Vandaar de volgende rekenactiviteiten.
De leerlingen maken zelf een optelling of aftrekking onder de 10. Zij schrijven de som op en maken met een tekening duidelijk wat deze inhoudt. 
Vervolgens plaatst de leerling deze optelling binnen een tiental en maakt weer met tekeningen duidelijk wat de optelling inhoudt.

De leerlingen schrijven de sommen die 'bij elkaar horen' onder elkaar. In dit voorbeeld:
| 4 + 4 = 8 24 + 4 = 28 54 + 4 = 58 84 + 4 = 88 |
Vervolgens dekken de leerlingen de uitkomsten van de gemaakte sommen af. Ze lezen de sommen voor en noemen blind de uitkomst. Een medeleerling controleert of het goed gaat.
Heeft u ook een vraag aan Jan?
Stuur ons een e-mail.
