Oriënteren tot 100 (groep 4)
Materiaal
- Voor elk tweetal een huishoudcentimeter tot 100. Deze zijn gratis te verkrijgen bij meubel- en doe-het-zelfzaken.
- Voor elke leerling een fiche of MAB-blokje.
- Papier.
Introductie
Tel samen met de leerlingen. Begin zelf bijvoorbeeld met 30 en tel vervolgens om beurten verder tot 50. Kies hierna andere startgetallen. De leerlingen mogen meekijken op de centimeter.
Noem vervolgens een tiental en de leerlingen zeggen het tiental dat 10 minder is dan dat getal. (Bijvoorbeeld: 40. De leerlingen zeggen 30.) Doe hierna dezelfde oefening, maar dan met het tiental dat 10 méér is dan het getal dat u noemt.
Leeractiviteiten
Laat de leerlingen bij onderstaande activiteiten in tweetallen werken. Ze controleren samen de uitkomsten op de centimeter en wisselen steeds van rol.
- Een van de leerlingen noemt een getal tot 100, de ander zegt het getal dat erna komt en schrijft het op.
- Een van de leerlingen noemt een getal tot 100, de ander zegt het getal dat ervóór staat en schrijft het op.
- Een van de leerlingen bedekt een getal op de centimeter met een fiche (MAB-blokje). De andere leerling noemt het afgedekte getal en schrijft het op.
- Een van de leerlingen bedekt 2 of 3 getallen achter elkaar. De andere leerling zegt de getallen en schrijft ze op.
- Een van de leerlingen noemt een getal tot 100 en de ander noemt de buren van dat getal. (Bijvoorbeeld: 53. De andere leerling noemt de getallen 52 en 54 en schrijft ze op.)
- Een van de leerlingen noemt een getal tot 100 en de ander noemt de tientalburen van dat getal. (Bijvoorbeeld: 76. De andere leerling noemt de getallen 70 en 80 en schrijft ze op.)
- Een van de leerlingen noemt een getal. De ander noemt het getal dat 10 méér is en schrijft het op. (Bijvoorbeeld: 37. De andere leerling zegt 47.)
- Een van de leerlingen noemt een getal. De ander noemt het getal dat 10 minder is en schrijft het op. (Bijvoorbeeld: 37. De andere leerling zegt 27.)
Afsluiting
Geef kleine opdrachten en alle leerlingen schrijven het gevraagde getal op. Bijvoorbeeld: 2 meer dan 19. De leerlingen schrijven het getal 21. Of: 3 minder dan 82. De leerlingen schrijven het getal 79.
