Delen en vermenigvuldigen (groep 5)
Doelgroep
Groep 5.
Doel
De leerlingen zien de relatie tussen vermenigvuldigen en delen.
Materiaal
Papier (A4)
Voorbereiding
Maak vooraf kopieën van werkblad 1 en werkblad 2. Houd er rekening mee dat de leerlingen tijdens de les in tweetallen werken.
Introductie
Teken vijf kaders op het bord, naar het voorbeeld van de kaders op de werkbladen. Schrijf in elk kader een getal, respectievelijk 24, 4, 7, 6 en 5. Vraag aan de leerlingen of deze getallen een relatie met elkaar hebben. Een mogelijke relatie is bijvoorbeeld de vermenigvuldiging 6 x 4 = 24. Een andere relatie is de deling 24 : 6 = 4.
Leeractiviteiten
De leerlingen werken in tweetallen. Geef elk tweetal een exemplaar van werkblad 1. De ene leerling zoekt zoveel mogelijk vermenigvuldigingen op het blad en schrijft deze op. De andere leerling zoekt zoveel mogelijk deelsommen en schrijft deze op.
Bespreek gezamenlijk de gevonden producten en delingen. Wijs de leerlingen erop dat elke vermenigvuldiging automatisch een deling inhoudt. (Zie ook het voorbeeld in de introductie.) Welke getallen hebben geen relatie met andere getallen?
Geef vervolgens elk tweetal een exemplaar van werkblad 2. Om de beurt zet een leerling drie getallen in kaders die samen een vermenigvuldiging vormen. De andere leerling vult drie getallen in die samen een deling vormen. Elke leerling vult ook een getal in dat geen relatie heeft met andere getallen.
Deze werkbladen worden ten slotte uitgewisseld tussen de groepen. Alle tweetallen speuren naar de getallen die geen relatie hebben met andere getallen. Welke groep vindt de getallen het snelst?
Afronding
Teken zes kaders op het bord en schrijf in elk kader een getal, respectievelijk:
64, 32, 16, 8, 4 en 2. Welke groep vindt alle relaties tussen deze getallen?
Bijvoorbeeld: 32 is 16 x 2 en 4 x 8; 64 is 4 x 16 en 32 x 2 en 4 x 2 x 8.)
En wie kan voor de volgende les nog meer van zulke getallen bedenken?
